Home  |  Sitemap  |  Contact  |  Staff Mail webmaster for comment
Home > Project sites > VHS

Veterinarians' Health Study

De Veterinarians' Health Study heeft als hoofddoel de prevalentie en incidentie van gezondheidsproblemen bij diergeneeskunde studenten te bepalen.

Studenten diergeneeskunde staan tijdens hun studie bloot aan diverse met diergerelateerde agentia zoals allergenen, microbiële bio-aerosolen (celwandproducten van schimmels en bacteriën) en infectieuze agentia (zoönosen zoals kattenkrabziekte, papegaaienziekte etc). Deze blootstelling kan aanleiding geven tot verschillende gezondheidsklachten zoals allergieën, astmatische en niet-astmatische luchtwegproblemen en infectieziekten. In hoeverre dit bij studenten diergeneeskunde optreedt is onbekend, om dit te onderzoeken is de VHS gestart. In het dwarsdoorsnede onderzoek van de studie wordt onderzocht wat de prevalentie is van gezondheidsproblemen bij alle studenten diergeneeskunde. In het follow-up onderzoek van de studie wordt de ontwikkeling in de tijd gevolgd van de studenten die aan de studie beginnen. Meer informatie over de opzet en uitvoering van de VHS vindt u hieronder.

November 2007

De eerste resultaten van het dwarsdoorsnede onderzoek van de VHS zijn bekend en willen wij graag met u delen: vhs_nieuwsbrief_nov_2007.pdf


Waarom de 'Veterinarians' Health Study'?

Veterinaire studenten hebben tijdens de opleiding intensief contact met dieren, maar ook later tijdens het werk. Dit kan gezondheidsrisico's met zich mee brengen. Vele van deze risico's zijn primair fysiek en/of mechanisch van aard, b.v. door dieren veroorzaakte kneuzingen en bijt- en krabwonden. Het contact gaat echter ook gepaard met blootstelling aan van dieren afkomstige stoffen zoals huidschilfers en urine. Deze stoffen kunnen bij sommige mensen, na bijvoorbeeld inademing, een allergische reactie opwekken. Het intensieve diercontact geeft veterinairen ook een besmettingsrisico voor bepaalde zoönotische infectieziekten (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen), zoals toxoplasmose, papegaaienziekte en kattenkrabziekte.

Deze risico's zijn nog niet veelvuldig onderzocht, maar de onderzoeken die uitgevoerd zijn, wijzen uit dat bij praktiserende dierenartsen de mechanische verwondingen verreweg het meest gerapporteerd worden, gevolgd door allergische aandoeningen en af en toe zoönosen. Tevens bestaat er mogelijk ook een gezondheidsrisico als gevolg van blootstelling aan microbiële agentia, zoals celwandproducten van bacteriën (endotoxinen) en schimmels (glucanen). Dit laatste risico is vooral bekend van varkensboeren, die meer luchtwegklachten rapporteren in afhankelijkheid van de blootstelling aan endotoxinen. Veterinairen kunnen bij het betreden van stallen ook blootstaan aan endotoxinen, glucanen of andere microbiële componenten en hierdoor gezondheidsproblemen ontwikkelen.

Volgens de 'hygiëne hypothese' zou regelmatige blootstelling aan infectieuze agentia op jonge leeftijd het immuunsysteem zo beïnvloeden dat het beschermt tegen de ontwikkeling van atopie en astma. Er bestaan aanwijzingen dat een vergelijkbare beschermende werking ook bij volwassenen kan optreden. Dezelfde stoffen kunnen echter ook luchtwegklachten veroorzaken die niet allergisch van aard zijn. Interpretatie van onderzoeksresultaten wordt verder bemoeilijkt door de grote verschillen tussen personen in inflammatoire luchtwegklachten als gevolg van blootstelling aan bio-aerosolen en mogelijk ook allergenen, waarbij atopische personen sterker op blootstelling blijken te reageren. Deze interindividuele verschillen zijn deels genetisch bepaald, maar waarschijnlijk ook sterk afhankelijk van een reeks andere factoren als bijvoorbeeld voorgaande ziektegeschiedenis, andere co-exposities, voedingsgewoonten, etc.

Het IRAS (Institute for Risk Assessment Sciences), een interfacultair onderzoeksinstituut van de Universiteit Utrecht, is de "Veterinarians' Health Study" gestart om de gezondheidsrisico's voor veterinaire studenten tijdens de studie als gevolg van blootstelling aan de diverse stoffen en de mogelijke interacties in kaart te brengen. Veterinairen en veterinaire studenten vormen een unieke onderzoeksgroep aangezien ze een hoge blootstelling hebben aan zowel allergenen, zoönosen en microbiële bio-aerosolen. Dit maakt het mogelijk om bij de mens relaties tussen microbiële en allergeenblootstelling en de ontwikkeling en modificatie van immunologische sensibilisatie en allergische aandoeningen te onderzoeken in een groep met goed te karakteriseren blootstelling. Met behulp van de resultaten van deze studie zullen in de toekomst maatregelen genomen kunnen worden om de blootstelling en gezondheidsklachten te verminderen of te voorkomen binnen deze beroepsgroep. De hele studie bestaat uit drie substudies (zie figuur) die hieronder nader belicht worden.

Figuur schema VHS

VHS studie I: dwarsdoorsnede onderzoek onder alle studenten diergeneeskunde

Harde cijfers over het optreden van gezondheidsproblemen tijdens de studie diergeneeskunde ontbreken tot nu toe, hoewel er wel aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico op allergieën en andere gezondheidsproblemen bij studenten diergeneeskunde. De "Veterinarians' Health Study" heeft als eerste doel vast te stellen wat daadwerkelijk de prevalentie is voor een aantal allergische gezondheidsproblemen en zoönotische infecties onder studenten diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht.

Om dit te bestuderen zijn in juni 2006 alle studenten diergeneeskunde (n=1400) benaderd om een vragenlijst in te vullen. Naast het invullen van de vragenlijst is gevraagd ook een kleine hoeveelheid bloed af te staan voor bloed onderzoek naar allergieën en bepaalde zoönosen. In november 2006 t/m juni 2007 heeft bij de studenten die daartoe bereid zijn een bloedafname plaatsgevonden. Het bloed testen we op antilichamen tegen algemene en dierspecifieke allergenen en op antilichamen tegen een vijftal zoönotische infectieziekten. Daarnaast wordt DNA opgeslagen. Dit DNA zal binnen een groot Europees onderzoek, de GABRIEL studie, geanalyseerd worden op genetische variabiliteit in het innate immune systeem en op astma specifieke genetische polymorfismen.

Deelnemers kunnen meer informatie vinden in de deelnemersbrochure op deze website.


VHS studie II: cohort onderzoek startend met 1e jaars studenten diergeneeskunde

Aangezien tijdens de opleiding diergeneeskunde de eerste "werkgerelateerde" blootstelling aan dieren plaatsvindt, is het belangrijk om juist het verloop van gezondheidsproblemen van studenten gedurende de jaren van hun studie in kaart te brengen. Gezien de gelijktijdige blootstelling aan allergenen en infectieuze agentia van studenten diergeneeskunde, zal ook de wisselwerking tussen deze blootstellingen op gezondheidskundig en immunologisch niveau bestudeerd worden.

Aan het begin van het academisch jaar 2006 is een cohort-studie van start gegaan onder nieuwe eerstejaars studenten om veranderingen in de gezondheid te bestuderen die kunnen optreden tijdens de gehele studie Diergeneeskunde en de risico's in kaart te brengen. Voor drie opeenvolgende jaren zullen alle eerstejaars studenten benaderen voor deelname.

Bij de start van het onderzoek zal elke student gevraagd worden een vragenlijst in te vullen, bloed en een neusswab te geven en deel te nemen aan een gezondheidskundig onderzoek bestaande uit o.a. een longfunctietest. Met de neusswab worden studenten getest op dragerschap van diergerelateerde micro-organismen. Het bloed wordt serologisch onderzocht op antilichamen tegen algemene en dierspecifieke allergenen en zoönosen. Daarnaast zullen er bloedtesten uitgevoerd worden waarbij gekeken wordt naar de immunologische reacties op bepaalde stimulaties (PBMC stimulatie en volbloed stimulatie).

Elk jaar zullen de deelnemende studenten opnieuw benaderd worden voor een herhaling van de vragenlijst en bloedafname en zo nodig het gezondheidskundig onderzoek. Tevens zal er tijdens bepaalde vakken met veel diercontact of in stallen blootstellingmetingen gedaan worden naar o.a. allergenen, endotoxinen.

Deelnemers kunnen meer informatie vinden in de deelnemersbrochure op deze website.


VHS studie III: onderzoek naar voorkomen van MRSA in de veterinaire beroepsgroep, inclusief studenten diergeneeskunde

Naast de bovengenoemde studies, zal een derde substudie zich specifiek richten op de Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus (MRSA) bacterie. Aanleiding voor dit onderzoek is de berichtgevingen in de Nederlandse pers dat onder varkensboeren het dragerschap van een specifiek type MRSA regelmatig voorkomt en dat dit type MRSA eveneens voorkomt bij hun varkens. Het blijkt ook bij andere dieren voor te kunnen komen, zoals bij kalveren en koeien, maar in hoeverre ook de houders van deze dieren drager zijn is onbekend.

Het doel van deze derde substudie richt zich dan ook voornamelijk op het vaststellen van de prevalentie van MRSA onder de mensen en dieren in de kalverensector. Onze interesse gaat hierbij met name uit naar de risicofactoren die deze associatie kunnen beïnvloeden zoals bedrijfkarakteristieken als antibiotica beleid, grote van het bedrijf, type huisvesting etc. Daarnaast zal er gekeken worden in hoeverre de omgeving gecontamineerd wordt met deze bacterie en in hoeverre het de bacterie zich kan verspreiden in en rond een bedrijf. Ook zal er onderzocht worden in hoeverre er overdracht plaats vindt van mens naar dier en vice versa. Net als de diereigenaren, is het zeer waarschijnlijk dat diergeneeskundigen ook een verhoogd risico hebben op het krijgen van de MRSA bacterie. In hoeverre dit ook echt optreedt, is niet bekend.

Omdat er nog niet veel over bekend is zal dit onderdeel van de VHS studie niet alleen bij de studenten diergeneeskunde uitgevoerd worden, maar ook bij dierenartsen en kalverhouders. Om de vraag te beantwoorden of de overdracht van dier op mens of andersom plaatsvindt, zullen ook de dieren in het onderzoek betrokken worden.


Wat gebeurt er met de resulaten?

Het onderzoek kan belangrijke informatie opleveren over het vóórkomen van gezondheidsproblemen tijdens de opleiding Diergeneeskunde en welke risicofactoren hierbij een rol spelen. Als blijkt dat studenten een verhoogd risico lopen op gezondheidsproblemen, kan zo mogelijk de blootstelling verminderd worden door bijvoorbeeld werkwijzen te veranderen. Hierdoor kunnen gezondheidsproblemen in de toekomst wellicht voorkómen worden.

Daarnaast zullen de uitkomsten van de VHS studie bijdragen aan de kennis over het ontstaan van allergische aandoeningen en welke omgevings- en genetische factoren hierbij een rol spelen. Hierdoor draagt het tevens bij aan de internationale wetenschappelijke discussie over de hygiëne hypothese. Tevens levert het een belangrijke bijdrage in de vraag wat de risico's op infectieziekten waaronder ook MRSA zijn.


Het VHS-onderzoeksteam

Het onderzoek is geïnitieerd door de epidemiologie divisie van het IRAS, onder leiding van prof. Dick Heederik en dr. Inge Wouters. Uitvoerenden zijn primair Lot Bannink en Haitske Graveland. Lot is per januari 2007 gestopt, haar werkzaamheden worden nu overgenomen door Manon Bogaerts. Daarnaast zijn dr Len Lipman en dr Boyd Berends, ook van het IRAS, betrokken bij het onderzoek op het gebied van zoönosen. Op het gebied van immunologie wordt samengewerkt met prof. Willem van Eden en dr. Femke Hauet-Broere van de hoofdafdeling Infectieziekten en Immunologie. Op het gebied van longziekten wordt samengewerkt met prof. J-W. J. Lammers van het Hart en Long Centrum van het UMC Utrecht. Het onderzoek naar de MRSA wordt ondersteund vanuit het Utrechtse MRSA platform, met name dr. Marc Bonten, UMC Utrecht, dr. Jaap Wagenaar en dr. Engeline van Duijkeren van het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum (VMDC), Utrecht en Prof. dr. Hans Heesterbeek van faculteit Diergeneeskunde, Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren, Utrecht.


Informatie voor deelnemers

Middel bijgevoegde links kunt u de informatie brochure voor deelnemers aan het onderzoek nalezen:

Als u als deelnemer enig probleem heeft ondervonden met de vragenlijst of een andere vraag of klacht heeft, kunt u dat mailen naar vhs.iras@uu.nl.


Contact- informatie

Voor algemene vragen of opmerkingen kunt u mailen naar vhs.iras@uu.nl.